Van de week werd ik drie keer geconfronteerd met het fenomeen orgaandonatie. Eén keer in het acht uur journaal, toen een islamitische vrouw zich beklaagde dat de moslims zo rigide omgingen met het doneren van organen, en dat terwijl er niets van in de Koran staat dat dit verboden zou zijn. Zij zelf had zeven jaar geleden een nieuwe lever gekregen van een donor en deze was nu versleten en nu had ze een nieuwe donor nodig.NB. Het blijkt namelijk, zo werd mij later in de week duidelijk, dat getransplanteerde organen veel sneller aan veroudering onderhevig zijn en dat grote groepen mensen die een transplantatie hebben ondergaan meerdere organen in één leven nodig hebben. Dit bedenkend kwam ik tot de ontdekking dat je grote kans hebt dat er nooit genoeg organen zullen zijn om al deze mensen meerdere keren in hun leven te redden.
De tweede keer dat ik met orgaandonatie werd geconfronteerd was in de nieuwe film “Staya Erusa”, een film/documentaire die net in de bioscoop in première is gegaan. In deze film proberen de makers reïncarnatie wetenschappelijk te bewijzen en te combineren met belangrijke maatschappelijke thema’s zoals: euthanasie, dementie, karma en suïcide en vele andere thema’s. Deze film kan ik u trouwens zeer aanbevelen! In deze documentaire/film wordt ook op een vrij objectieve manier geschetst wat orgaantransplantatie doet; elk orgaan is zeer individueel en dat de mens zijn karma vooral in zijn organen opslaat en dus eventueel meeneemt naar de ontvanger.
Een geheel nieuw gezichtspunt voor mij; en dit geeft wellicht een dieper antwoord op de vraag waarom het ene orgaan niet afgestoten wordt en andere wel. Immers het nieuwe orgaan, dat een geschiedenis met zich meeneemt moet overeenkomsten hebben met het karma van de ontvanger.De derde keer dat ik weer werd geconfronteerd met dit onderwerp was dinsdagavond (31/1) op netwerk. Op dit moment is er een intensieve handel ontstaan in organen die vanuit China waar mensen die ter dood veroordeeld en geëxecuteerd worden hun organen moeten afstaan aan andere (rijke) mensen in de wereld. Er is daar dan ook een lucratieve handel in organen ontstaan.
Een internist vertelde zelfs, dat hij ongewild een nabehandeling hier in Nederland had verricht van iemand die zo’n orgaan had gekocht van zo’n betreffende kliniek. Ook kwam er een vader in beeld van een zoon van 21 jaar die dus ook voor de tweede keer een nieuwe nier moest hebben; hij schetste het duivelsdilemma maar sprak uit dat hij niet zijn hand in het vuur durfde te steken of hij van deze methode niet ooit gebruik zou maken.
Tenslotte wordt afgesloten met de opmerking dat het van de gekke is dat we in Nederland zo’n slechte wetgeving hebben over donordonatie en dat dit toch zou moeten veranderen. Daar zit je dan…., en mijn hersenen werken dan op volle toeren: waarom voel ik me koud van binnen worden? Steeds wanneer er mensen in beeld komen die smeken om een orgaan, kruipt naast een diep gevoel van mededogen ook een gevoel van irritatie naar boven Toegegeven: ik schaam me voor dit gevoel, maar van de week probeerde ik toch een keer een analyse hierop los te laten, om beter te kunnen begrijpen waar nu mijn eigenlijke irritatie zit. Ik ontdekte dat ik de eisende toon om een nieuw orgaan niet erg prettig vind.
In mijn praktijk heb ik een vrouw met inoperabele kanker. Met diepe bewondering zie ik hoe zij haar lot onder ogen ziet zonder de realiteit van het doodgaan te verdringen. Zij probeert bovenal haar resterende tijd kwalitatief zo hoogwaardig mogelijk te gebruiken en zoekt niet meer naar de ultieme uitweg om te kunnen ontsnappen aan de dood, hoewel de hoop altijd nog als een verstild verlangen in haar aanwezig is. Wellicht heeft mijn lichte gevoel van wrevel te maken met het feit dat onze maatschappij zo eisend en ik-gericht is geworden; de één eist van de ander dat hij/zij zijn organen moet afstaan terwijl afwachten of iemand je wat wil geven recentelijk nog de eerste regel van beschaafdheid was in onze samenleving. Ik wil dan nog niet eens nadenken over criminaliteit die nu eenmaal bij schaarste van een artikel ontstaat.
RuofSteiner voorspelde begin vorige eeuw dat aan het begin van deze nieuwe eeuw “de strijd van allen tegen allen” zou losbranden; de één ten koste van de ander. Niet direct een plezierig vooruitzicht maar deze voorspelling wordt helaas in recentelijke terroristische aanvallen in dit millennium al alarmerend goed zichtbaar.De dood is, in het licht van het ik-gericht zijn, wel het meest afschuwelijke wat je je als op de materiegerichte mens, voor kunt stellen. Immers, men gaat alleen maar uit van het ego en het fysiek in het hier en nu, en niet van het feit dat na dit leven een geheel nieuw getransformeerd leven wacht. Wanneer je bewust kunt kijken naar wat er werkelijk is in het leven dat je achter je laat vlak voor de dood, dan is het zelfs zo dat bepaalde vormen van fysiek en geestelijk lijden niet meer meegenomen worden naar het volgende leven. Wanneer de mens zijn “mind”alleen gericht houdt op het in stand houden van het fysieke leven hier op aarde dan kan diegene al snel zijn werkelijke opdracht uit het oog verliezen, namelijk het bewust worden van weerstanden die vanuit (oud) karma overwonnen moeten worden. Per definitie geven weerstanden mogelijkheden tot groei, ook al leidt dit vaak naar fysieke achteruitgang.
Ik wil met dit artikel niet zeggen dat ik tégen orgaandonorschap ben, maar ik schrik als ik mensen hoor zeggen, dat ze ver gaan, heel vér gaan, om de fysieke dood te ontlopen. Diepgaand onderzoek naar de spirituele kant van donordonatie is daarbij meer dan wenselijk. Mocht het waar zijn dat organen een karmisch geheugen hebben, dan is het, hoe vreemd het moge klinken, te hopen dat diegene dan een orgaan krijgt van een onterecht geëxecuteerde bijvoorbeeld, wat veel voorkomt in China, wegens het aanhangen van een foute godsdienst. En in het andere geval, dus van een orgaan van een wezenlijke crimineel persoon, zou je in dat geval terug doen vallen op een karmisch fysiek niveau dat je al in eerdere incarnaties lang achter je hebt gelaten; een soort dweilen met de kraan open.


